Eén keer sprak hij wél, zacht, alsof hij niet wilde dat zijn woorden te zwaar zouden klinken. Maar ze bleven hangen in mijn hart alsof ze daar thuishoorden.
“Je hoeft me geen vader te noemen,” zei hij, “maar weet dat ik er altijd zal zijn wanneer je iemand nodig hebt.”
Ik was nog klein, maar ik voelde iets verschuiven. Niet in mijn hoofd, maar in mijn borst. Vanaf die dag werd “papa” een woord dat ik zonder twijfel gebruikte.
Mijn jeugd met Hector was eenvoudig, maar intens. Ik herinner me avonden dat hij thuiskwam, zijn werkuniform bedekt met stof, zijn ogen moe, zijn schouders hangend alsof ze de hele wereld droegen. En toch vroeg hij altijd dezelfde vraag, alsof niets belangrijker was dan mijn antwoord.
“Hoe was je dag op school?”
Hij kon geen differentiaalrekening uitleggen. Hij wist niets van literatuurtheorie. Hij kende geen grote woorden of academische termen. Maar hij bleef aandringen dat ik hard studeerde. Hij herhaalde het zo vaak dat het op een dag in mijn hoofd klonk als een wet van de natuur.
“Kennis is iets wat niemand van je kan afpakken,” zei hij. “Het opent deuren waar geld soms niet bij kan.”
We waren arm. Dat was geen geheim. Ik wist het aan de gaten in onze kleren, aan het rijstbord dat vaker leeg was dan vol, aan de manier waarop mijn moeder muntjes telde voordat ze naar de winkel ging. Maar Hector droeg armoede niet als schaamte—hij droeg het als een feit, iets dat je moest overleven zonder je waardigheid te verliezen.
Soms, als het regende en het dak op één plek lekte, zette hij een emmer neer en zei luchtig: “Kijk, gratis muziek.” Dan lachte hij, en even leek ons huis warm genoeg.
Hij was streng, maar niet hard. Als ik lui was, keek hij me aan met die blik die niets zei en toch alles vroeg. Als ik dacht aan opgeven, was hij de man die gewoon doorging, dag na dag, en daarmee liet zien dat opgeven geen optie was.