Ik glimlachte. “Het gaat perfect, lieverd. Ik ben in Oostenrijk. Hij is een vriend. En ik heb de mooiste Kerst in jaren.”
Hij viel even stil. “Waarom zei je niets?”
“Omdat jullie zeiden dat ik thuis kon blijven,” zei ik rustig. “Dus heb ik iets anders gedaan. Ik vond een plek waar ik me welkom voelde.”
Er viel een lange stilte. Toen zei Mark zacht: “Het spijt me, mam. We hadden je nooit mogen buitensluiten.”
“Ik weet het,” antwoordde ik. “Maar soms leert het leven je dingen door afstand. Je kunt iemands liefde niet waarderen als je die vanzelfsprekend blijft vinden.”
Toen ik ophing, voelde ik me lichter dan ooit. Niet bitter. Niet gebroken. Trots. Trots dat ik voor mezelf had gekozen.
Toen ik weer thuiskwam, merkte ik hoe anders alles voelde. Hetzelfde huis dat eerst zo leeg leek, voelde nu warm. Misschien was het huis niet veranderd. Misschien was ik veranderd. Ik zette mijn koffer bij de deur en keek naar de boom die nog in de hoek stond. Voor het eerst in jaren voelde ik me niet vergeten.
Op de keukentafel lag een stapel enveloppen: kerstkaarten van buren, vrienden en zelfs één van Mark en Hannah. Toen ik die opende, viel er een foto uit van mijn kleinkinderen in bijpassende pyjama’s naast een kerstboom. In de kaart stond: “We misten je, mam. Het spijt ons. Kom snel langs. We willen alles horen.” Ik glimlachte. Het was geen groot excuus, maar het was een begin.
De dagen erna pakte ik langzaam uit. Ik zette de sneeuwbol van David neer, het houten engeltje uit Salzburg, de ansichtkaart van het café waar we hadden gelachen tot middernacht. Mijn huis werd gevuld met herinneringen die van mij waren.
Een paar dagen later belde Mark. “Mam, kunnen we dit weekend langskomen? De kinderen willen je zien.”
“Natuurlijk,” zei ik. “Ik maak mijn pecannotentaart.”