‘Nee,’ zei ik. ‘Sommige dingen herstel je niet. Sommige dingen leer je. En ik heb vandaag geleerd wat ik waard ben—en hoe weinig jij me beschermde.’
Hij keek naar de scherven van de vaas op de vloer, alsof hij hoopte dat hij daar een oplossing tussen kon vinden. Ik zag hem slikken, zag hoe zijn schouders iets inzakten.
‘Ik had nooit gedacht dat het zo ver zou komen,’ fluisterde hij.
‘Maar het kwam wel zo ver,’ zei ik. ‘Omdat je het liet gebeuren.’
Die avond sliep hij op de bank. Niet omdat ik wraak wilde nemen, maar omdat ik de ruimte nodig had om mezelf weer te voelen. In de slaapkamer hoorde ik hem draaien, zuchten, het kussen verschuiven. Elke beweging klonk als spijt die te laat kwam.
De volgende ochtend was het licht grijs en koud. Ik maakte thee, niet koffie. Ik had geen zin in de geur die me aan gisteren herinnerde. De vloer was schoon, de scherven waren opgeruimd, maar de barst zat niet in het keramiek—die zat in iets anders.
Ik keek naar Thomas toen hij de slaapkamerdeur op een kier opende, alsof hij niet wist of hij binnen mocht komen.
‘Sophie…’ begon hij.
‘Ik wil scheiden,’ zei ik rustig.
Hij bleef staan. En tot mijn verrassing protesteerde hij niet. Geen drama, geen woede, geen beloftes die hij morgen weer zou breken. Hij knikte alleen, langzaam, alsof hij eindelijk begreep dat sommige deuren dichtgaan zonder dat je ze nog kunt terugduwen.