Het voelde als een dag die je probeert door te komen zonder te breken.
Er stonden drie borden op tafel: één voor mij, één voor mijn man Brad, en één voor de stilte. De derde plek was netjes gedekt, alsof ik met bestek en servetten iets kon oproepen wat al twee jaar niet meer in mijn leven bestond.
Mijn dochter Karen was er niet.
En ze was er al twee jaar niet geweest.
Toch zette ik elk jaar, zonder uitzondering, haar bord klaar.
Soms zei Brad dat het mezelf alleen maar pijn deed.
Maar ik kon het niet laten.
Die lege stoel was mijn stille manier om te zeggen: ik geef je niet op.
Zelfs als jij mij wel opgeeft.
Ik deed alsof het een gewoon ritueel was, iets kleins.
Maar diep vanbinnen was het een gebed.
Hoe het zo ver kon komen
Karen en ik waren vroeger hecht.
Toen ze klein was, liep ze achter mij aan alsof ik de enige veilige plek was die ze kende. Ze hield mijn hand vast in de supermarkt, zelfs toen ze oud genoeg was om dat “kinderachtig” te vinden. Ze kwam ’s nachts mijn kamer in na nachtmerries, en kroop dan bij me onder de dekens alsof daar alle monsters verdwenen.
Zelfs als tiener, met alle boosheid en weerstand die daarbij hoort, was ze nog steeds mijn meisje.
Maar toen ze volwassen werd, veranderde er iets.
Niet ineens, maar langzaam.
Een gesprek dat koud eindigde.
Een gemiste verjaardag.
Een telefoontje dat niet werd teruggebeld.
En toen kwam die ene ruzie.
Zo’n ruzie die achteraf nooit meer helemaal duidelijk is, maar die op dat moment alles leek te zijn. Ik herinner me de woorden niet eens precies, alleen de toon. Alleen de ogen. Alleen het moment waarop ik besefte: dit gaat niet meer over dit gesprek. Dit gaat over iets diepers.
Karen vertrok die avond uit mijn huis met tranen die ze niet wilde laten zien.
En daarna… kwam er stilte…