Max stond in de deuropening, leeg.
En Rex legde zijn kop op Anna’s schoot en jankte zachtjes, alsof hij wilde zeggen:
Dit is niet voorbij. Ik voel het.
Maar niemand luisterde naar een hond.
Mensen luisterden naar dokters.
Papieren.
Handtekeningen.
Een sterfverklaring.
Een begrafenis die gepland moest worden.
Alles moest “geregeld.”
Alsof je verdriet kunt regelen.
De ochtend van de begrafenis
Anna had niet geslapen.
Max ook niet.
Ze hadden aan tafel gezeten met koude koffie, omringd door bloemen van mensen die zinnen schreven zoals:
“Sterkte.”
“Ze is nu een engel.”
“Het is Gods plan.”
Anna wilde al die kaartjes verscheuren.
Niet omdat mensen slecht waren.
Maar omdat woorden niets konden.
Niet tegen het gat in haar hart.
Rex had bij de deur gezeten toen de uitvaartwagen kwam.
Hij weigerde weg te gaan.
Toen de kist naar buiten werd gedragen, brak Rex bijna door de handen van Max heen. Hij rende ernaartoe.
Hij ging voor de kist liggen.
Hij gromde.
Niet boos.
Beschermend.
Alsof hij zei:
Nee. Dit neem je niet mee.
De uitvaartverzorger had ongemakkelijk gekeken.
“Is dit normaal?” had iemand gefluisterd.
“Ik denk dat hij rouwt,” had een ander gezegd.
Maar Anna voelde het.
Dit was geen gewone rouw…