Een dikke ochtendmist hing boven de begraafplaats en vervaagde de rijen grafstenen tot bleke, spookachtige vormen. De wereld was kleurloos, alsof zelfs de natuur rouwde. De lucht rook naar natte aarde, gevallen bladeren en koude stenen. Elk geluid werd gedempt door de mist, alsof de hemel zelf geen geluid meer toeliet.
De rouwenden stonden in een stille halve cirkel onder de grijze hemel, hun jassen donker, hun schouders ingezakt. Een paar vrouwen hielden zakdoeken tegen hun mond. Mannen staarden strak voor zich uit alsof ze hun emoties met puur wilskracht probeerden tegen te houden.
In het midden stond de kleine witte kist.
Te klein.
Altijd te klein.
Anna Parker kon haar ogen er niet van af houden. Elke vezel van haar lichaam protesteerde tegen het beeld. Het voelde alsof iemand haar borstkas had opengebroken en de lucht eruit had gezogen.
Naast haar stond haar man, Max. Zijn gezicht was grijs, zijn lippen wit van het klemmen. Hij hield haar hand vast alsof ze anders zou verdwijnen. Zijn vingers waren zo strak om de hare geklemd dat haar knokkels pijn deden.
Anna voelde het nauwelijks.
Ze voelde bijna niets meer.
Behalve dat ene kleine, irrationele stukje hoop dat ze haatte omdat het haar ook kon breken.
Want diep vanbinnen was er iets dat bleef fluisteren:
Dit klopt niet. Dit kan niet. Dit mag niet waar zijn.
De dagen vóór de begrafenis
Drie dagen eerder lag Lily nog in hun woonkamer.
Niet in een kist.
Maar op de bank, onder een deken, bleek en stil.
Lily was zeven. Ze hield van paarden, van pannenkoeken met aardbeien, en van het feit dat Rex haar altijd volgde alsof zij zijn hele wereld was. Haar lach had altijd het huis gevuld, een helder geluid dat zelfs slechte dagen zachter maakte.
Maar die dag, op een dinsdagavond, was Lily thuiskomen van school met een vreemd soort moeheid.
“Mijn buik voelt raar,” had ze gezegd.
Anna had haar voorhoofd gevoeld.
Warm.
Niet heet, maar warm genoeg om haar alert te maken…