ADVERTISEMENT
ADVERTISEMENT
ADVERTISEMENT

Mijn stiefvader werkte 25 jaar in de bouw en financierde mijn promotieonderzoek. De professor was verbaasd hem bij de diploma-uitreiking te zien.

Ik had nooit een sprookjesjeugd gekend. Mijn moeder, Elena, was gescheiden van mijn biologische vader toen ik nog heel klein was. Ik herinner me nauwelijks zijn gezicht. Alleen de leegte van vragen die nooit beantwoord werden, en het vreemde soort stilte dat in een huis blijft hangen wanneer iemand vertrekt en niemand het durft te benoemen. We woonden in het kleine stadje Santiago Vale, omringd door rijstvelden en stoffige weggetjes waar het zand zich aan je voeten vastklampte. Het leven was er rustig, maar ook hard. Comfort was zeldzaam, en zelfs liefde werd soms gemeten aan praktische dingen: hoe laat iemand thuiskwam van het werk, of er eten op tafel stond, of er geld was voor schoolspullen.

Toen ik vier was, hertrouwde mijn moeder. Hector kwam ons leven binnen zonder rijkdom of status, maar met een versleten gereedschapsriem, handen die hard waren van het cement, en een rug die al vroeg krom leek te staan van jarenlang werken. Hij was geen man van grote woorden. Hij sprak weinig, maar als hij sprak, waren het woorden die je niet kon vergeten.

In het begin nam ik hem kwalijk dat hij er was. Niet omdat hij slecht was, maar omdat hij niet mijn vader was. Zijn handen roken naar stof en mortel. Zijn laarzen waren altijd vuil. Zijn verhalen gingen over bouwplaatsen en steigers, over dingen waar ik niets van begreep. Als kind dacht ik dat een vader iemand was die netjes was, iemand die nooit vies thuiskwam, iemand die je op zijn minst leerde lezen uit glanzende boeken. Hector had geen glanzende boeken. Hij had een oude radio, een thermosfles met lauwe koffie, en een lichaam dat elke dag zwaarder leek te worden.

Maar langzaam leerde ik het taalgebruik van zijn liefde kennen.

Hij repareerde mijn kapotte fiets met stukjes draad en een oud onderdeel dat hij ergens vandaan haalde. Hij naaide de gescheurde zool van mijn sandalen vast met stevig touw, alsof hij wist dat nieuwe schoenen niet vanzelf kwamen. Hij kwam me ophalen op zijn oude, piepende fiets wanneer pestkoppen mij bij de schoolpoort opwachtten. Hij reed dan langzaam, niet omdat hij lui was, maar omdat hij me naast zich wilde laten rijden zodat ik veilig was. Tijdens die ritten gaf hij nooit een lange preek. Hij riep nooit. Hij stelde geen harde vragen. Hij was er gewoon.

ADVERTISEMENT

Laisser un commentaire