Wat volgde was geen spectaculaire ineenstorting, maar een langzame afbrokkeling. Zonder mijn steun haperden de financiën. De maskers vielen af. De verhalen veranderden. Het huis bleef stil.
Ikzelf verliet de stad. Ik accepteerde een vaste baan, tekende een huurcontract en bouwde een leven op dat echt van mij was. Voor het eerst werd ik wakker zonder die constante last op mijn borst.
Soms lees ik de brief van mijn vader opnieuw. Zijn woorden herinneren me eraan dat hij me zag, me begreep en in me geloofde, zelfs toen niemand anders dat deed.
Ik wilde mijn familie niet kapotmaken. Ik ben er simpelweg mee gestopt mezelf te laten uitwissen.
De echte wraak was niet het innemen van het huis.
Het ging erom mijn plek terug te winnen.