F – Face (gezicht)
Vraag iemand te lachen.
Kijk of:
-
één mondhoek hangt
-
een gezichtshelft minder beweegt
-
de blik scheef lijkt
A – Arms (armen / kracht)
Vraag beide armen naar voren te houden.
Let op:
-
één arm zakt weg
-
krachtverlies
-
onhandigheid bij grijpen
S – Speech (spraak)
Let op:
-
moeilijk praten
-
woorden niet kunnen vinden
-
onduidelijke spraak
-
vreemde zinnen
-
verward klinken