Het geld was niet aan luxe uitgegeven. Een minikoelkast zoemde zachtjes. Een tweedehands kachel gloeide. De oude lambrisering was wit geverfd. Gordijnen uit de kringloopwinkel hingen gestreken en netjes. Op de geschrobde vloer lag een felgekleurd tapijt. Achterin lag een matras op een eenvoudig frame dat haar vader vast had gemaakt, bedekt met een deken die ik me herinnerde van de rommelmarkt van haar moeder.
Het rook naar citroenpoets en koffie, niet naar schimmel.
En toen zag ik het bureau: multiplex op archiefkasten, verlicht door een batterijlamp. Netjes opgestapelde studieboeken. Een bibliotheekboek over anatomie. Een aanvraagformulier voor een studiebeurs voor verpleegkunde van een community college – ingevuld, klaar om te versturen.
Ik zag geen meisje opgeven. Ik zag een meisje terugvechten.
‘Het is… schoon,’ bracht ik eruit.
Ze bloosde. ‘De waterleiding werkt niet, dus ik gebruik het huis. Maar papa heeft rugpijn van het zitten op de bank. Nu kan hij de slaapkamer hebben. En ik kan hier studeren. Het is hier rustig. Mama was verpleegster. Ik wil haar trots maken.’
Met 600 dollar had ze geen huis kunnen kopen.
Maar ze had er wel een bed voor haar vader kunnen kopen.
En ze had er een toekomst mee kunnen opbouwen.