Niemand op het Wakefield-landgoed heeft het ooit hardop gezegd. Niemand hoefde dat te doen. De waarheid hing in elke gang, nestelde zich in elke hoek en drukte tegen elke ademhaling die ze namen.
Kleine Luna Wakefield gleed weg van haar leven.
De dokters hadden hun oordeel zonder ceremonie uitgesproken, hun stemmen vlak en geoefend, alsof ze cijfers uit een dossier lazen in plaats van een deur te sluiten voor een leven. Drie maanden. Misschien minder. Een tijdlijn die één keer werd uitgesproken, en daarna eindeloos werd laten echoën.
En daar stond Richard Wakefield—miljardair, industrie-gigant, een man die zijn leven had gewijd aan het buigen van uitkomsten naar zijn wil—geconfronteerd met de enige realiteit waarmee het geld weigerde te onderhandelen. Voor het eerst was zijn rijkdom nutteloos. Zijn kracht betekende niets.
Het landhuis was groot, onberispelijk en ondraaglijk stil. Niet de kalme stilte van vrede, maar de zware soort — het soort dat beschuldigt. Het bleef hangen in de muren, volgde je naar kamers, zat naast je aan tafel en herinnerde je aan alles wat je niet kon repareren.
Richard had alles gedaan wat een vader met onbeperkte middelen kon doen. De beste specialisten. Experimentele behandelingen. Privéverpleegkundigen die dag en nacht rouleren. Therapiedieren. Zachte muziek dreef door de gangen. Planken vol boeken, geïmporteerd speelgoed onaangeroerd door kleine handjes, dekens in Luna’s favoriete kleuren, muren speciaal voor haar geschilderd.
Everything was flawless.
Except Luna.
Her eyes no longer searched the room. They drifted past it, as if she were watching a world no one else could see. She existed somewhere beyond reach.
Since his wife’s death, Richard had quietly disappeared from the world that once praised him. Meetings went unattended. Calls unanswered. Headlines replaced his name with silence. The empire could function without him.
Luna could not.
His days became ritual. He woke before sunrise. Prepared meals she barely tasted. Measured her medication with precision. Noted every change in a leather notebook—every slower breath, every blink that lingered too long—as though writing it down might anchor time.
Luna rarely spoke. Sometimes she nodded. Sometimes she didn’t respond at all. Most days, she sat by the window, watching light fall across the floor as if it belonged to someone else.
Richard spoke anyway.
He told her stories she once loved. Recounted trips they’d taken. Invented fairy tales with brave heroes and happy endings. He made promises he knew he couldn’t keep. Still, the distance between them remained—silent, invisible, unbearable.
Then Julia Bennett arrived.