Die avond, zittend in Richards kantoor, omringd door zijn wetboeken en reisfoto’s, vond ik een vergeten sleutel. Dat van een lade die hij altijd gesloten hield.
Binnenin: mijn verleden.
Mijn rechtenstudie, met onderscheiding behaald. Persartikelen. Een foto van mij, waar ik de eed afleg als jongste rechter in de hogere rechtbank van de staat.
En een brief van Richard.
Hij schreef dat hij alles wist. Dat hij wist welke offers ik had gebracht. Dat ik nooit was opgehouden de briljante vrouw te zijn die hij bewonderde.
Voordat ik zijn vrouw werd, was ik vijftien jaar rechter. Een erkende, veeleisende carrière. Toen koos ik voor liefde. Ik was vroegtijdig met pensioen gegaan, had mijn naam veranderd en dit leven achter me gelaten.
Die nacht opende ik de bestanden opnieuw. Erfrecht gestudeerd. Lees het testament nog eens. Het bewijs bekeken.
Het testament was onberispelijk. De medische dossiers bevestigden Richards helderheid. De aantekeningen van zijn financieel adviseur legden zijn keuzes duidelijk uit.
Ik heb zijn dagboek gevonden. Pagina na pagina vertelde hij over zijn liefde voor mij en zijn teleurstelling over Trevors gedrag.
Ik ben niet naar bed gegaan.
De volgende dag ging ik weer naar de rechtbank.
Toen de rechter mij vroeg om mijn volledige naam voor de zaak, antwoordde ik:
« Margaret Stone. »
De stilte was totaal.
De rechter keek op, verbijsterd. Hij herkende me.
Trevor werd bleek. Zijn advocaat verloor al het vertrouwen.
Ja, ik was een voormalig rechter. Ja, ik was perfect gekwalificeerd om mezelf te verdedigen.
Het publiek werd op zijn kop gezet.
De getuigen werden opnieuw gehoord. De feiten werden duidelijk: Trevor had zijn vader weinig bezocht, geld geleend zonder het ooit terug te betalen, en zijn wrok verward met onrecht.
Ik heb hem zelf ondervraagd. Zonder woede. Met methode.
De waarheid drong zichzelf op.